De gebr. Buijs

nr 2,  1994  

  M. de Haij-de Visser
Foto uit dertiger jaren. Een gereedgekomen Sloep wordt met deze Ford naar Scheveningen gebracht. Links op de foto: Corn. M. Buijs, rechts de chauffeur Hannie Gouwens, Dzn.

Het overkwam de “houten scheepmaker” Jan Buijs in het jaar 1859 als werknemer van de scheepswerf Van der Giessen te Krimpen aan den IJssel. Zijn werkgever vroeg hem of hij als onderaannemer aan de slag wilde gaan, een waagstuk in die tijd van malaise. Maar Jan Buijs trok de stoute schoenen (destijds klompen) aan en ging van start.

Bijna een eeuw “houten schepen”

In datzelfde jaar was het dat bij Van der Giessen het laatste fregatschip gebouwd werd en een verdere ontwikkeling van het bedrijf gehinderd werd door een meningsverschil tussen de gebroeders Cornelis en Arie van der Giessen. De eerste voortvarend en vol plannen voor een “grootscheepsche werf”, de laatste zeer conservatief en behoudend. Dat leidde tot een splitsing in het bedrijf, een scheiding die bij notariële acte van 25 juni 1859 ingaande 1 mei daaraan voorafgaande, plaatsvond. Werkzaam op de scheepswerf van Corn, van der Giessen, bouwde timmerman Jan Buijs met genoegen aan de houten schepen en leerde het vak als geen ander. Hij vernam de plannen over de uitbreiding van de werf en het bouwen van ijzeren schepen. Conservatief als hij was, wilde de jonge “houten scheepsbouwer” in het hout blijven werken.
Dat vakmanschap gaf hem de moed om de uitdaging aan te gaan die de directie van hem vroeg. Een terrein om op te kunnen werken huurde hij van derden, op de plek waar nu woonhuis en kantoor van Gebr. Buijs Scheepsbouw B.V. en nog twee woonhuizen staan.

Hout, zaagsel en krullen
Als ervaren scheepstimmerman bouwde hij roeiboten voor de binnenvaart en sloepen voor zeeschepen. Later maakte Jan Buijs ook vissersscheepjes in verschillende modellen. Deze waren bestemd voor de vissers van de Zeeuwse en de Zuidhollandse eilanden, die wanneer de markt in Engeland gunstiger was dan in eigen land, er zelfs mee overzee gingen. ln 1865 werd het werkterrein van Buijs verkocht aan Bakkerij van Vliet.

De Sliksloot. Deze foto dateert uit 1905 en laat het scheepswerfje zien van de Wed. Buijs. Op de helling: een vissersboot speciaal bestemd voor de mosselvangst. Op de voorgrond twee Hollandse roeiboten, waarmee ook 9ezeild kon worden. Aan de werf de vissersboot Goeree 6 en helemaal achteraan een paviljoenschip dat spanen lost voor de oven van bakker Van Vliet.

Op een perceel grond grenzend aan het vorige in Zuidoostelijke richting met een totale lengte van 47 meter, eveneens gelegen tussen de Sliksloot en de Stormpolderdijk, kon het werk doorgang vinden. Tot zijn overlijden in het jaar 1895 heeft Jan Buijs met kinderen en wat personeel hier de houten boten vervaardigd. Zijn vrouw Klaasje de Vries zette het bedrijf voort tot 1908, waarna een nieuwe generatie het overnam: de vier zonen Stephanus, Cornelis, Marinus en Thomas. Zij bouwden voort te midden van hout, zaagsel en krullen met hun ouderwets maar wel degelijk gereedschap.
Van deze vier “werkende eigenaren” overleed de eerste op 26 februari 1920, Cornelis en Marinus in de twintiger jaren en Thomas, als laatste, in het voorjaar van 1940.

Het “wurrefie van Buijs”
Tussen 1920 en 1930 werd er op het werfje weinig gebouwd. Hiervoor waren twee redenen. In de eerste plaats weigerde de familie Buijs om over te schakelen naar ijzeren schepen, waar steeds meer vraag naar kwam. De tweede reden was dat de eigenaren een naar verhouding te laag loon betaalden aan de jongere arbeidskrachten. Het gevolg hiervan was dat ze naar grotere werven gingen waar het uurloon enkele centen hoger lag. Van een nieuwe generatie Buijs werkten zelfs twee broers continu bij scheepswerf Van der Giessen als “houten scheepmaker” tot 1930. Waar andere scheepswerven overgingen tot het bouwen van ijzeren schepen, op het “wurrefie van Buijs” bleef men bij het oude. Het woord ijzer durfde men haast niet te noemen, want dat klonk hier bijna als een vloek. Men wilde niet met de tijd meegaan.
Toen als gevolg van een crisis bij een massa-ontslag de twee broers Cornelis Marinus en Arie Nicolaas in 1930 bij Van der Giessen zonder werk en zonder inkomen kwamen, keerden zij terug naar de “erve der vaderen”, eerst tot 1940 in loondienst bij Ome Thomas en na diens overlijden als eigenaars. Zij hebben de zaak in stand kunnen houden, hoewel er vaak slechts gedeeltelijk gewerkt kon worden. Het “wurrefie” bleef bestaan.

Het werk van deze twee broers bestond voor het overgrote deel uit het maken van reddingssloepen voor de visserij van Scheveningen, Katwijk en IJmuiden. Naast alle voorkomende houten scheepmakers werkzaamheden maakten ze ook zelfs boerenwagens en zwingen. In de oorlogsjaren ‘40-’45 waren het de houten motorvletten, vissersschepen gecombineerd met zeilen en motor, en enkele plezierjachten van dubbelwandig eikenhout. Dit werk werd uitgevoerd met hulp van de eigen kinderen van C.M. Buijs en later met vast personeel.
Toen in 1946 een volgende generatie aantrad om in het bedrijf leiding te geven, waren er vier firmanten Buijs, namelijk bovengenoemde C.M. Buijs, zijn twee zoons Jan en Stephanus en A.N. Buijs. Tot eind 1946 is er in het hout gewerkt, begin december is men “gezamenlijk” in het ijzer gaan werken. Dat was op verzoek van de Scheepvaartinspectie!
Aanvankelijk gebeurde dit nog gedeeltelijk vanwege de staaldistributie in de na-oorlogse jaren, die tot medio 1949 duurde. Als er geen staal was moest weer gedeeltelijk met hout gewerkt worden.
Aan bijna honderd jaar “houten scheepmakers” kwam definitief een einde door woest natuurgeweld. Bij de watersnood in 1953 dreef al het op de werf opgeslagen hout weg. Het werd later zoveel als mogelijk was opgevist en verkocht aan Scheepswerf Van der Giessen, de werf waar in 1859 aan voorvader Jan Buijs gevraagd werd of hij als onderaannemer een eigen “wurrefie” wilde gaan beginnen.
Na 1953 brak dus definitief het ijzeren tijdperk aan!