Veldwachter De Vries

Nieuwsbrief april 2012

Nico vd Hoek
Veldwachter in Krimpen aan den IJssel

Het verzoek een stukje voor de nieuwsbrief te maken bracht me op het idee dat het aardig zou zijn iets te vertellen over mijn betovergrootvader, de grootvader van mijn moeder, die in de 19e eeuw als politieagent (veldwachter) werd aangesteld in onze gemeente. Met dit verhaal over mijn moeders opa wil ik bijdragen aan een stukje Krimpense geschiedenis.  – Nico vd Hoek –

Willem Frederik de Vries werd geboren op 20 mei 1824 in Den Haag, als zoon van Andries de Vries en Cornelia van Deele. Op 3 mei 1843 werd hij, nog net geen negentien jaar oud, door loting als “milicien” ingedeeld bij het 5e Regiment Infanterie.

 

Een keuring hoorde daar bij en uit het Rijksarchief voor de centrale regeringsarchieven blijkt:

“Zijn lengte is 1 ellen, 6 palmen, 1 duimen en 5 strepen. Aangezicht plat, voorhoofd ovaal, oogen blauw, neus ordinair, mond idem, haar bruin, wenkbrauwen idem, merkbare teekenen geene. Heeft een lichte graad van hoofdzeer, doch geschikt voor de Koloniale Dienst.”

Koloniaal
“Hoofdzeer” of “krabbekop” was een vorm van hoofduitslag die vooral bij kinderen in die tijd veel voorkwam, maar die was vast al wel over toen hij uiteindelijk op 13 oktober 1848 met het schip “Menado” vanuit Hellevoetsluis vertrok naar het voormalig Nederlands Indië, om daar dienst te gaan doen als “koloniaal” voor een periode van vijf jaar. Op 20 januari 1849 werd hij gedebarkeerd te Batavia en geplaatst bij het 3e Bataljon Infanterie, en ruim anderhalf jaar later bij het 13e Bat.Inf. In augustus 1855 “gereengageerd voor 6 jaren, handgeld 60 gulden, te rekenen van 12 October 1854 bij het 3e Bat.Inf.”. Daar werd hij een jaar later korporaal en op 1 november 1856, door reorganisatie, wordt hij in die functie wederom geplaatst bij het 13e Bat.Inf. In september 1859 werd hij sergeant en “d.d. 13 October gereengageerd voor 2 jaren, handgeld 40 gulden. Op 13 April 1862 overgegaan bij het Garnizoens Bataillon in de 2e Militaire afdeling en op dato gevoerd voor memorie als Instructeur der Pradjoerits te Poerwodadi.”

Het waren bewogen jaren: in 1849 de 3e expeditie tegen Bali, van 1850 tot 1853 krijgsverrichtingen op Borneo (op 25 september 1852 werd hem door het Militaire Departement de bronzen medaille voor trouwe dienst toegekend, met een gratificatie van 12 (!) gulden). In 1854 en 1855 alweer gevechten op Borneo.

In 1858 is het opnieuw mis op Bali: een tocht naar Boeleling “ter uitlevering van den Pembekel (d.w.z. dorpshoofd) Njoman Gempol”. En op 31 mei 1858 is er weer een (nu zilveren!) medaille voor trouwe dienst (maar wel zonder gratificatie!).

In 1860 wordt hij weer in het zuiden en oosten van Borneo ingezet: nu moet hij zijn trouwe diensten bekopen met een verwonding door een schampschot aan zijn linkerbeen. Toch tekent hij in oktober opnieuw bij voor twee jaar.

En dan, in 1862 houdt hij het voor gezien: 25 gulden gratificatie maar liefst krijgt hij, voor zijn trouwe koloniale diensten. En: “bij gouvernementsbesluit d.d. 21 november 1862 no.9: toegelegd een gagement van 184,-gulden ’s-jaars, betaalbaar in Nederland.”

Veldwachter
De oorspronkelijke vijf jaar waren er dus uiteindelijk ruim dertien geworden: hij vertrekt uit Nederlands Indië op 10 januari 1863 op het schip “Hendrik Ido Ambacht” om vier maanden later, op 16 mei, te kunnen ontschepen in Nieuwendiep (Den Helder). In Den Haag wordt hij aan het treinstation opgewacht door zijn moeder en de dienstbode, die (met de kruiwagen!) zijn bagage helpen vervoeren. Die dienstbode zou nog hetzelfde jaar zijn vrouw worden (al was ze met haar 18 jaar een stuk jonger dan hij): Hendrika Klazina Eskens, en om het jonge stel te onderhouden volgt er op 21 juli 1864, mede dankzij zijn staat van dienst als militair, een aanstelling als “veldwachter” in de gemeente Krimpen aan den IJssel (misschien maakte vooral ook zijn “schietprijs als scherpschutter”, in 1860 behaald, wel heel veel indruk).

In zijn aanstellingsrapport lezen we dat de bevolking van Krimpen aan den IJssel (in 1864 dus!) 1482 zielen groot was…. niet te vergelijken met onze ruim 29.000 inwoners heden ten dage. Het tractement bedraagt fl. 110,- (per jaar! – zo’n 50 euro dus) met nog fl. 10,- voor kleding en schoeisel. Ook wordt in het rapport vermeld –behalve dat hij “katholiek” was- dat hij aan het eind van zijn militaire loopbaan fl. 184,- per jaar ontvangt als pensioen (hierboven omschreven als “gagement”), wat mogelijk voor het toenmalig gemeentebestuur een argument kan zijn geweest om zijn beginsalaris wat lager te houden. Met het geld voor kleding en schoeisel zal hij niet rondgekomen zijn, want hierover ontstaat een stevige discussie met het gemeentebestuur, zo blijkt uit onderstaande brief no. 232 van de Commissaris des Konings in de Provincie Zuidholland, op 17 oktober 1865, aan de Burgemeester en Wethouder van Krimpen aan den IJssel:
“De veldwachter Uwer gemeente W.F.de Vries heeft zich den 16e dezer bij mij op audientie aangemeld en mij medegedeeld, dat eene toegezegde verhooging van tractement tot dus verre niet is verleend; dat het geld voor bovenklederen, waarop hij is benoemd, niet wordt uitbetaalt, zoodat hij zich geene nieuwe kleding kan aanschaffen, maar verpligt is dienst te doen in eene onder bijna geheel versleten uniform, jas en pet, en eindelijk Ued. zou hebben gedreigt hem tot ontslag voor te dragen. Ik heb de eer Ued. te verzoeken mij met eenige spoed te willen mededelen, wat van een en ander zij.”

Op 20 oktober 1865 stuurde de Commissaris des Konings nog een brief (no.234) aan de Burgemeester van Krimpen aan den IJssel, met de volgende inhoud:

“Ik heb de eer Ued. te verzoeken om den inhoud Uwer missive (brief!) van den 18e dezer no. 232, namens mij aan den Veldwachter Uwer Gemeente W.F. de Vries te willen mededeelen en zulks naar aanleiding der door hem bij mij ingebragte bezwaren.”

Bovendien werd een dag later, op 21 oktober 1865, door de Commissaris des Konings een brief verzonden aan de gemeente Krimpen aan den IJssel met de mededeling “een bedrag ter ordonnantie van fl. 2,56 voor W.F. de Vries” voor reis- en verblijfkosten. Dat uiteindelijk de dreiging met ontslag niet is doorgegaan blijkt uit het volgende:

in 1885 (dus zo’n 20 jaar later!), toen de bevolking van Krimpen aan den IJssel was toegenomen naar 1989 zielen, werd zijn tractement verhoogd. Naar fl 225,- , met emolumenten van fl 75,- en voor kleding en schoenen fl 20,-!
In het jaar 1886 werd hij voorgedragen om met pensioen te gaan. Uit de raadsverslagen van de gemeente Krimpen aan den IJssel blijkt het volgende:

“Gehoord de mededeling van den voorzitter, dat de Commissaris des Konings in deze provincie heeft te kennen gegeven dat er voor hem geene termen bestaan om den gemeente veldwachter W.F. de Vries te ontslaan indien dezen van gemeente wege niet een behoorlijk pensioen wordt weggelegd. Gehoord het voorstel van den tegenwoordige titularis, bij eventueel eervol ontslag uit de gemeentekas toe te kennen een jaarlijksche pensioen van een honder gulden (fl 100,-) en Gedeputeerde Staten te verzoeken de gemeente ter tegemoetkoming in dat pensioen, eene jaarlijkse subsidie te verleenen van minstens vijftig gulden (fl 50,-)

Besluit:

1. Aan den gemeente veldwachter W.F. de Vries wordt met ingang van het tijdstip waarop hij uit zijne betrekking wordt ontslagen, ten laste der gemeente toegekent een jaarlijksen pensioen van een honderd gulden (fl 100,-)

2. Aan Gedeputeerde Staten der Provincie Zuidholland wordt het verzoek gericht de gemeente eene jaarlijksche subsidie van minstens vijftig gulden te verleenen ter tgemoetkoming in het voormelde pensioen van den gemeente veldwachter.

De Burgemeester (get.) van Waning

De Secretaris (get.) L. Kooij

Pensioen
Meerdere gegevens ontbreken, maar waarschijnlijk is hij eind 1886 of begin 1887 eindelijk met pensioen gegaan. Deze man heeft een heel bewogen leven gehad en hij heeft in Krimpen aan den IJssel bepaald geen luxe gekend, zelfs niet met de prijzen van die tijd.

Hij overleed hier, in Krimpen, op 16 februari 1895, zodat hij toch nog wat jaren van zijn pensioen heeft kunnen “genieten”. En omdat er in onze gemeente nu eenmaal geen katholieke begraafplaats was, zou hij begraven worden in Rotterdam. Maar op de dag van de begrafenis was de IJssel dichtgevroren en dus kon de oversteek over de Hollandse IJssel met het veer van Van der Ruit niet doorgaan. Met inzet van heel veel verschillende personen (en met de nodige hartverwarmertjes!) in roeiboten kon echter de IJssel weer opengebroken en bevaarbaar worden zodat de begrafenis alsnog kon plaatsvinden. Hij ligt in Rotterdam begraven achter de Hoflaankerk , mijn moeders opa, in de negentiende eeuw gemeenteveldwachter van Krimpen aan den IJssel.