Verleden en heden van de buitengronden

uit de scriptie van Pier Werksma
P. Werksma, ‘De buitendijkse gronden tussen Krimpen aan den IJssel en Krimpen aan de Lek.’ 1971

Na de ijstijden is ons land sterk beïnvloed door het steeds maar stijgende zeewater. Perioden waarin het zeewater rees, de zogenaamde ‘transgressies’, wisselden af met perioden waarin de zeespiegel betrekkelijk constant bleef. Een van deze transgressies, de Duinkerke 3-transgressie, lag tussen 1100 en 1200 na Chr.. Het was gedurende deze transgressie dat de bewoners van deze streken zijn overgegaan tot het bouwen van dijken. In die tijd was de Sliksloot een veel belangrijker water dan tegenwoordig, want in de elfde eeuw stonden de Hollandse IJssel en de Lek alleen via de Sliksloot met elkaar in verbinding. (…) De verbinding met de zee van de IJssel en Lek resp. ten noorden en ten zuiden van de Stormpolder, waren er destijds nog niet. Deze doorbraken hebben omstreeks 1200 plaats gehad. Zij waren er de oorzaak van dat de Sliksloot voor de waterafvoer van weinig belang werd en daardoor steeds meer is gaan verlanden. Met recht kon men deze daarom Slijksloot en later Sliksloot noemen.

Het eiland de Zaag is, in ieder geval in de vorm zoals we het nu kennen, veel later ontstaan. De naam de Zaag voert ons terug naar de plaat het ‘Zaegje’, een klein eiland dat reeds omstreeks 1600 vrijwel tegen de buitendijkse gronden van het huis Ten Donk heeft gelegen ( midden onderaan op ‘kaart 3’ te lezen). Dit eilandje is later door de stroom verplaatst nar de noordelijke oever en is daar omstreeks 1800 met enkele andere toen ontstane platen samengegroeid tot één groot eiland de Zaag, zoals we dat vinden afgebeeld op ‘kaart 3’, een fragment van de uitstekende rivierkaart van 1833. De ambachtsheer Groeninx van Zoelen, die recht had op alle opwassen in de rivier, was eigenaar van de Zaag. De Grote Zaag is bekaad in 1875 en de Kleine Zaag in 1894. De hoge Zaag is op niet natuurlijke wijze gevormd. Dit deel is in het eind van de negentiende eeuw ontstaan door het opspuiten met overtollige baggerspecie van de in die tijd veelvuldig uitgevoerde rivierwerken. (…)