Meer over koolteer

M.de Haij-de Visser

Van de zeevisserij naar de koolteerfabriek

Het was in het jaar 1918, dat op voorstel van de Minister van Waterstaat lr. Cornelis Lely (1 854 – 1929) werd besloten het uit 1882 daterende plan tot afsluiting en inpoldering (drooglegging) van de Zuiderzee boven tafel te halen en tot uitvoering over te gaan. Een project dat vele jaren in beslag zou gaan nemen. Het belangrijkste onderdeel van dit grote werk was de aanleg van de 30 km lange dijk van Wieringen naar Friesland, die in 1932 gereed kwam. Het was de bekende Afsluitdijk die de doorgang van Zuiderzee naar Noordzee afsloot; het IJsselmeer bleef over nadat alle inpolderingen voltooid waren. Hiermee behoorde de zeevisserij in deze omgeving tot het verleden.

Schipper G. Jongetjes met zijn vrouw aan boord van de Othello 9- in 1961.

Van Harderwijk naar Krimpen aan den IJssel
Twee vissers uit die tijd zochten ander werk, gingen verhuizen naar Krimpen aan den IJssel en zien nu met dankbaarheid terug op een veelbewogen leven. Het zijn de neven Gerrit van Schie (91 jaar) en Gerrit Jongetjes (bijna 88 jaar), die veel met elkaar gemeen hebben. Beider wieg stond in Harderwijk, ze werden naar dezelfde oom vernoemd en kozen beiden voor de zeevisserij. Hoewel enkele jaren verschil in leeftijd, gingen voor hen, na de lagere school doorlopen te hebben, de ‘trossen los’, dat wil zeggen: als jonge knaapjes aan boord van een zeilschip mee ter visvangst. Het was de broodwinning die van vader op zoon overging. Totdat de toekomst totaal veranderde door de uitvoering van de Zuiderzeewerken. En dat niet alleen voor deze twee jonge mannen, maar voor hele gezinnen en families.

De Krimpense periode Die begon voor de twee Harderwijkers rond de jaren dertig. Beiden weten nog precies te vertellen hoe hun sollicitatie bij de ‘Utrechtsche Asphalftfabriek’ (voorheen ‘Stein en Takken’) te Utrecht verliep. Ze werden aangenomen door de heer Kistenmaker en begonnen als schippersknecht in dienst van de koolteerfabriek in Krimpen aan den IJssel, waarmee de fabriek in Utrecht gefuseerd was. Gerrit van Schie begon op 5 juli 1926 en kwam kort daarna met zijn gezin in Krimpen aan den IJssel wonen. Gerrit Jongetjes kwam begin juni ‘1929 in dienst, woonde tijdelijk in een kosthuis, huwde in Harderwijk in 1930 en vestigde zich met zijn vrouw eveneens in de IJsselgemeente.

Onderweg even voor familiebezoek in de haven van Harderwijk. 1961.

Beiden weten veel te vertellen over hun leven op het water. Het visseizoen op de Noordzee duurde van juni tot december, daarna in de thuishaven van Kerst tot Nieuwjaar, vervolgens van januari tot juni vissen op de Zuiderzee. Bij langdurige vorst lag de vissersvloot soms wekenlang voor de wal, zonder inkomsten voor de bemanning. Dan werden de netten nagezien en zo nodig gerepareerd en probeerde men wat klusjes hier en daar, toch ‘brood op de plank’ te krijgen. Een grote omschakeling was het varen voor de koolteerfabriek.Er voeren zo’n twintig boten door het hele land naar alle gasfabrieken om teer op te halen. Teer was het restproduct bij de bereiding van gas. ln de gasfabrieken werden de vetkolen in retortovens afgedekt, de kolen lagen te smoren en zo ontstond dan het gas door het broeien van de vetkool. Uit die vetkool lekte dan teer die in de teerput terecht kwam. Voor de bereiding van teerproducten zoals asfalt voor de wegen en mastiek voor onder andere dakbedekking werden vele tonnen teer per schip vervoerd naar de teerfabriek. Na bewerking brachten de schippers het naar de plaats van bestemming waar het gebruikt moest worden. Soms was dat bijvoorbeeld het station in Rotterdam, vanwaar de teer per speciale wagons verder vervoerd werd. In strenge winters wanneer veel gas verbruikt werd en de gasfabrieken op volle toeren werkten, gebeurde het dat alleen al in Rotterdam bij de gasfabrieken aan de Keilehaven en in Feijenoord, vierhonderd ton teer per week werd opgehaald.

Varende op de Maas bij Rotterdam met de Othello 7 geladen met vaten mastiek voor dakbedekking

Soms voeren de tankscheepjes ook wel naar België of Duitsland om creosootolie weg te brengen die op de fabrieken in Krimpen en Utrecht was gemaakt. Verschillende schepen en rangen Precies 100 jaar geleden, dus in 1895, werd op de scheepswerf van Van der Giessen voor de een jaar eerder gestichte koolteerfabriek in de Stormpolder, het stoomschip de Othello gebouwd. De vloot van de teerfabriek breidde zich uit en de schepen droegen verschillende namen. Door samenvoeging van kleine NV’s tot een geheel kregen later alle schepen in volgorde van 1 tot 20 de naam OTHELLO, in verband met het zwarte teerproduct, genoemd naar de Koning der Moren. Naar gelang de grootte van het schip waren in verschillende rangen twee of vier man aan boord en in goede samenwerking werden met kennis van zaken de rivieren bevaren.
Gedurende een periode van twaalf jaar (1935 – 1947) hebben Gerrit van Schie en Gerrit Jongetjes samen op één schip gevaren. Daarna heeft ook de vrouw van laatstgenoemde schipper nog een tijdje aan boord meegewerkt. Gerrit van Schie die in de loop der jaren alle vrije tijd benutte om te studeren, klom van schippersknecht op naar kapitein, scheepscontroleur, verrichtte onder andere metingen en werd zelfs beëdigd ijker. Bij zijn benoeming in 1947 tot walkapitein was hij baas over alle schepen van de koolteerfabriek. Tien jaar later werd hij overgeplaatst naar Uithoorn waar hij op het bedrijfsbureau van de CINDU (afkorting voor Chemische Industrie Uithoorn), ging werken. Weer een verhuizing voor het hele gezin Van Schie na 30 jaar in Krimpen gewoond te hebben.

 

Gerrit van Schie was 42 jaar in dienst bij het koolteerbedijf in verschillende plaatsen. In 1957 werd hij vanuit Krimpen overgeplaatst naar Uithoorn. Het hele gezin is toen verhuisd.

In 1964 volgde nog een officiële overplaatsing naar het tankenpark aan de petroleumhaven in Amsterdam en na een diensttijd van ruim 42 jaar nam Gerrit van Schie op 31 december 1969 afscheid, maar zijn werk los laten kostte hem veel moeite. Sinds zijn vrouw enkele jaren geleden overleden is, woont hij nu (sinds januari 1994) in ‘Het hoge Heem’ van de Stichting Bejaardenhuis vesting in Uithoorn. Daar komen zijn kinderen en kleinkinderen hem regelmatig bezoeken en met een ongekend goed geheugen weet hij opgewekt verhalen te vertellen over zijn werkkring. Gerrit Jongetjes werkte na zijn schippersperiode nog enkele jaren (vanaf 1962 tot zijn pensionering) bij Van der Giessen’s scheepswerven. In de Meerkoetstraat woont de nu bijna 88-jarige nog zelfstandig, gaat per fiets de boodschappen doen en kookt zoals hij aan boord gewend was, zijn eigen potje. Ook zijn vrouw is overleden, hun huwelijk bleef kinderloos, maar gelukkig komen familieleden en kennissen graag bij hem op bezoek, want ook de heer Jongetjes kan enthousiast vertellen, op zijn mondharmonica spelen en via de telefoon contact houden met zijn neef Gerrit van Schie. Twee hoogbejaarde mensen die dankbaar terugblikken op hun werkzame leven.