Brand bij de koolteer

Het bedrijf van Cindu in de Stormpolder gezien vanuit de lucht.

IN WELK JAAR WAS DE BRAND OP DE KOOLTEERFABRIEK ?

Het was in het jaar 1921 op 5 december, dus Sinterklaasavond. Op die maandagavond werd om 21.00 uur het “hoor wie klopt daar” overstemd door een paar zware ontploffingen die niet alleen in Krimpen aan den IJssel, maar in de wijde omtrek gehoord werden. Kort daarop volgde het blazen op de brandhoorn en de alarmerende schreeuw “brand op de koolteerfabriek”, een roep die vele keren herhaald en doorgegeven werd.

De bewoners van de Stormpolder waar de fabriek stond, en ook zij die in de directe omgeving woonden, raakten in paniek omdat men vreesde voor meerdere ontploffingen. Hierdoor zou niet alleen de fabriek maar tevens de halve gemeente de lucht in vliegen. Alles was angstaanjagend: de hoge vlammen in de donkere avond, de meters ver rondvliegende teertonnen en daarbij de strenge vorst van de vroeg ingevallen winter.

Vluchten, maar waarheen? Zo snel mogelijk nam men maatregelen. Kinderen werden in dekens gewikkeld, matrassen en kleding werden meegesjouwd. Het was (zoals in een krant van 7 december 1921 te lezen is) een treurige aanblik te zien hoe de mensen uit de omtrek van de fabriek wegvluchtten om een goed heenkomen te zoeken bij familie, vrienden of kennissen. Behalve “de dijk” (nu IJsseldijk en Lekdijk) telde Krimpen nog maar één straat, Tuinstraat, die in 1919 was aangelegd.

EMK Teerunie, bekend om grondvervuiling op grote schaal

De polderbewoners liepen richting Krimpen aan de Lek of over de IJsseldijk. Maar ook Tuinstraatbewoners liepen via de weilanden over de dichtgevroren sloten weg van de plaats des onheils. Velen vonden onderdak in de Christelijke school 1 tegenover de oude begraafplaats. Anderen gingen per roeiboot de IJssel over naar Capelle en de wijk Keeten, waar een nieuwe kerk bescherming bood.

De oorzaak van de brand Als vermoedelijke oorzaak werd genoemd: “het op onverklaarbare wijze ontploffen van een drietal benzolvaten, of het vlam vatten van gassen welke nog aanwezig hebben kunnen zijn in een in gebruik te nemen nieuwe teerkelder”.

De brandweer

De bedrijfsbrandweer van de koolteerfabriek en de gemeentelijke brandweer waren na het alarm onmiddellijk ter plaatse. Dankzij het krachtdadig optreden en zeer begunstigd door de wind, wist men gelukkig erger te voorkomen en is de brand beperkt gebleven tot het uitbranden van enkele grote teerputten. In deze putten werd de gedistilleerde teer afgevoerd. Omdat de toestand zich aanvankelijk zeer ernstig liet aanzien – mede door de metershoge vlammen die van verre te zien waren – werd assistentie gevraagd en hulp verkregen.

Vanuit Rotterdam kwamen de drijvende stoombrandspuit en de bedrijfsbrandspuit van de Machinefabriek en Scheepswerf P. Smit. Verder assisteerden de brandspuiten uit de gemeenten Lekkerkerk en Ouderkerk aan den IJssel. Als laatste arriveerde middernacht met loeiende sirenes de brandweer van de Utrechtse Asfalteer Fabriek, de UAF. Deze hoefde echter geen bluswerk meer te verrichten, omdat men het vuur inmiddels meester was.

Bij de bestrijding van de brand werd onder andere deze brandspuit ingezet

Nadat het gevaar geweken was, keerde na middernacht reeds een aantal gevluchte” mensen naar hun woningen terug. De overige kwamen de volgende dag.

Aan het begin van de gemeenteraadsvergadering van 12 december 1921 bracht de voorzitter, burgemeester A. van Walsum, in de eerste plaats dank aan de Allerhoogste, dat de gemeente voor een grote ramp gespaard was gebleven. De burgemeester bracht hulde aan de spuitgasten van de Stormpolder en het personeel van de koolteerfabriek, welke “trots de gevaren hieraan verbonden, trouw hun posten hadden betrokken”. Minder lof was er voor de brandweermannen van Boveneind. Burgemeester van Walsum zei: “de houding van de spuitgasten uit het Boveneind liet zeer veel te wensen over. Ze kwamen te laat en dan nog met een slakkengang”

5 December 1921, het gezellige avondje dat zo wreed verstoord werd door de brand. Gelukkig werd het geen ramp, want er vielen geen slachtoffers. Het pakjesfeest werd een dag later gevierd met speculaas, pepernoten en chocolademelk; de angst van de nachtelijke vlucht door de kou was toen snel vergeten.

Mevrouw M. de Haij- de Visser , 1997