Tegels uit Krimpen

Cees Loeve  2012

Er waren vroeger heel wat grotere bedrijven die de Krimpenaren van werk en dus ook inkomen voorzagen. Een aantal daarvan kennen we nog wel van horen zeggen. Maar anderen zijn uit het geheugen gewist of overstegen door hun opvolger. Dat geldt toch zeker voor de voorloper van Hollandia, de in Krimpen zo genoemde ‘tegeltjesfabriek’.

Een mooie plek in Stormpolder 
De tegelfabriek werd in 1903 gebouwd op de plaats waar later Hollandia zou komen. Direct links van de aanlegplaats van de Waterbus dus. Daar was een niet echt gebruikte uiterwaard aan de Nieuwe Maas. Dat werd de plek waar de oprichters van de tegeltjesfabriek een eenvoudig pand bouwde. Op de krantenfoto uit 1928 is het pand goed te zien, hoewel er dan al ‘Hollandia’ op staat. De plek had ook een nadeel: ze was nauwelijks per auto, laat staan met een vrachtauto, bereikbaar. De dijkjes er naar toe waren daarvoor te smal. Die dijken konden wel prima te voet of met de fiets worden gebruikt. Alle aan- en afvoer moest dus via het water.

Op deze luchtfoto van de nog agrarische Storm polder is ook de locatie van de tegelfabriek duidelijk.

Wie waren de eigenaren van deze fabriek?
De mensen achter deze bouwplannen waren de directieleden van firma Kloos en Van Limburg uit Rotterdam. Zij hadden daar een al jaren bestaand groot bedrijf dat zich bezig hield met het aannemen van straatwerken en het handelen in bestratingmateriaal. Regelmatig stond in de pers dat ze goede en grote zaken deden. Zo meldde het Algemeen Handelsblad van 10 februari 1879 bijvoorbeeld dat zijde enige inschrijver waren voor een partij van 120.000 straatstenen.
Ze hadden voor het vervoer van hun producten eigen schepen. Uit een bericht in Het Nieuws van de Dag van 18juni 1898 stond dat het door de firma bestelde schip ’Rotterdam 5’ te water werd gelaten bij Van der Giessen. Dat was daar toen al bouwnummer 150 en wordt in de bouwlijst als een ‘Rijnschip’ van 83 meter lang omschreven. Uit die bouwlijst blijkt overigens dat soortgelijke schepen werden geleverd in 1890 en 1892. Dat waren de ‘Rotterdam 3’ en ‘Rotterdam 4’. Kennelijk had de tegelfabriek minimaal 5 eigen schepen. De eigenaren van de schepen waren blijkbaar tevreden over het werk van de Krimpense scheepsbouwers.  
.   .  

Quenast … wat is dat?

De naam Quenast verwijst naar een vroeger plaatsje, nu onderdeel van Rebecq, in de buurt van Brussel. Er is daar al sinds de zestiende eeuw een open (dagbouw)groeve in exploitatie, waaruit porfiersteen wordt gewonnen. Portier is afgekoeld magma. Het wordt ook op andere plaatsen gevonden, maar deze groeve is wel een heel grote. Zo groot dat het product Quenast verwijst naar de plaatsnaam. Quenast is bijvoorbeeld bekend door de porfierkeien of Quenastkeien, die wij beter kennen als ‘kinderkopjes’. Voor het opknappen van de Belgische wegen na de Tweede Wereldoorlog werd de porfiersteenslag gebruikt. Vanuit de Quenastgroeve betrok firma Kloos en Van Limburg al heel lang materialen en nu dus ook de grondstof voor het maken van Quenasttegels.

Het maken en gebruiken van Quenasttegels

De Quenasttegels werden onder hoge druk gemaakt in een tegelpers. Voor de gebruikelijke tegels werd het product geperst van een mengsel van zand, grind en cement. Voor Quenasttegels gebruikte de medewerkers van de tegeltjesfabriek vermalen portier in plaats van grind. De tegels stonden bekend om hun fraaie uiterlijk, slijtvastheid en wat minder gladde oppervlak. We kennen het gebruik door het hele land. Het Rotterdams Nieuwsblad van 28 januari 1909 meldt bijvoorbeeld dat de ‘voettrottoirs’ aan de nieuwe Boulevard in Scheveningen al voor driekwart uit deze tegels bestaan.

 

Verminderde productie werd het einde

De heer P.J. Lubbers werd in 1918 directeur van de ‘tegeltjesfabriek’ en in 1928 werd hij directeur van de ‘boutenfabriek’.

In de loop van de jaren werd de afzet toch minder. Ook kwamen de prijzen meer en meer onder druk te staan. In 1918 verkopen de heren Kloos en Van Limburg hun fabriek aan de heer C. de Vilder. Die benoemt op zijn beurt de heer Paulus Johannes Lubbers als directeur (inderdaad de opa van de huidige directeur Lubbers – 2012-).
Zijn belangrijkste taak werd om het bedrijf te reorganiseren en moderniseren. Daar slaagde hij prima in, maar door de kelderende prijzen moest hij op zoek naar een ander product. Wat men in die tijd nog verkocht, bleek eigenlijk alleen voor gemeente Amsterdam bestemd. De productie van Quenasttegels werd daarom daarheen verplaatst.
De in 1928 vrijgekomen gebouwen waren gereed voor de start van de toen opgerichte N.V. Schroefboutenfabriek ’Hollandia’. Ook van dit bedrijf werd de heer PJ. Lubbers directeur.

Hoe smal de dijkjes rond de Storm polder waren is hier duidelijk te zien. (foto L.L.Liedorp)