zo was ’t : de Goudse boot

Cees Loeve

Toen omstreeks april 1840 de eerste ‘Goudse Boot’ ging varen was dat een voor ons nauwelijks voor te stellen vooruitgang. Voor die tijd werd bijna alles lopend gedaan. Natuurlijk waren er paarden of zelfs koetsen, maar slechts een paar Krimpenaren konden die betalen. Ook waren er wel andere vervoermiddelen, zoals de trekschuit bijvoorbeeld. Maar niet in Krimpen! Dus lopen. En dat vaak met een zware bepakking op de rug of in een kruiwagen. Door weer en wind en over slechte wegen.

De Goudse boot
Het roept beelden op, zoals we die nu soms zien in de derdewereldlanden. Wat zal er door de Krimpenaren onderling gepraat zijn over de ‘Goudse Boot’. Geen wonder dat deze het gedurende ongeveer honderd jaar erg druk kreeg.

Een prachtige opname van een ‘Goudse Boot’. Op de achtergrond is nog net het trekbootje van de pont te zien. Daarachter de Teerunie. De plaat werd in 1933 in een tijdschrift geplaatst.

De onderneming

De bootdienst werd opgestart dook de heer C.G. van der Garden uit Gouda, die voor dit werk ‘N.V. Reederij De IJsel’ oprichtte. Men voer tussen de Veerstal in Gouda en de Oosterkade in Rotterdam. Die Oosterkade was ongeveer tegenover het huidige Havenziekenhuis. Het was er altijd gezellig druk, want er waren heel wat bootdiensten die hier hun eindpunt hadden. Je kon dus overstappen op die andere boten. Maar je kon ook even lopen en verder reizen met de treinen bij het Maasstation. De stoomboten van ‘De IJsel’ hadden rood-wit-rode banden om de pijp en de meerpalen bij de steigers droeg en, volgens zeggen, die kleur. Dat waren de kleuren van Gouda. Eerst voer men één keer per dag, maar al snel werd dit twee keer. Soms werden ook extra diensten gevaren, bijvoorbeeld in de zomer tot in Hoek van Holland.

Vanuit het Boveneind richting Krimpen. De ‘Goudse Boot’ vaart net weg van het ‘hoofd’ in de richting van Rotterdam. Jammer dat al die mooie bomen er niet meer staan.

De diverse schepen

Met welke boot men het eerste jaar voer is niet bekend. Al snel werd op de werf van Fop Smit de radarstoomboot ‘De IJsel’ gebouwd en ingezet voor de dienst. Daarna liet men alleen nog schroefstoomboten bouwen. Ze kregen de namen ‘De IJsel’ (met daarna een nummer 1 t/m 4). De ‘1’ verving de radarboot en was de grootste van alle boten. Toen de diensten werden gestopt werd ze verkocht aan SPIDO in Rotterdam, waar ze jarenlang voer als ‘Prinsesseplaat’. De ‘4’ werd ook wel ‘De Ouderkerker’ genoemd, omdat ze jaren onder kapitein Dirk Roos voer. Die woonde in Ouderkerk aan den IJssel en meerde daar ook elke avond zijn boot af. De twee anderen waren kleiner en werden later hoofdzakelijk als invallers, of voor speciale tochten, gebruikt. Op de ‘2’ was Adrianus (Janus) Offermans uit Ouderkerk jarenlang kapitein.

De vaartocht zelf

De tocht zelf moet, volgens de verhalen die er de ronde over doen, erg gezellig zijn geweest. Dat kwam natuurlijk vooral door het mooie gebied waar je langs kwam en de praatjes die je kon maken. Maar ook aan boord zelf was van alles te zien en te beleven. Er waren 3, later 2, klassen om toch wat onderscheid te krijgen in het gevarieerde gezelschap. Dat bestond trouwens, zeker op marktdagen, ook uit allerlei vee. En was er veel aanbod van stukgoed, of als een boer z’n kaas naar de markt bracht, dan moest je ook daar tussendoor je weg zien te vinden. De volledige tocht duurde een fikse tijd, dus het buffet voorzag in een behoefte.

De aanlegplaatsen

Vanaf Gouda varend, legde men aan de steigers aan in Moordrecht en Gouderak. Verder had men 4 aanlegplaatsen in Ouderkerk en in Krimpen. Er was er verder één in Capelle en één bij het Zalmhuis in Kralingsche Veer, waarna men dan in Rotterdam was. Die aanlegplaatsen werden langs de Hollandsche IJssel ‘hoofd’ genoemd. Langs de Lek sprak men van ‘Het veer’.

Het Boveneind

De eerste aanlegsteiger die men vanuit Gouda in Krimpen naderde was die in het Boveneind naast de rietmattenmakerij van de gebroeders Van Walsum. Dat was precies op de plek waar nu de picknickplaats is, dus tegenover de Wilhelminahoeve. Vlakbij het hoofd stond een klein huisje van waaruit geholpen werd bij het afmeren en het verzorgen van de vracht. Dat werd een hele tijd gedaan door ‘Kee van Krisse’ en haar zoon Janus. Ze is nog net te zien links van de boom naast haar huisje op één van de foto’s.

Hier een mooi overzicht van de aanlegsteiger van de Jong/Van Vliet.

De Jong/Van Vliet

De volgende halte was bij de steiger die eerst door De Jong en later door Aart van Vliet werd verzorgd. De Jong was naast beheerder van het veerhoofd ook kolenhandelaar. Van Vliet had een groentehandel en werkte ook nog vaak bij boeren in de buurt. Dit ‘hoofd’ was ongeveer ter hoogte van IJsseldijk 244. Er tegenover was de scheepswerf van Vuyk.

Het Nieuwe Veer

De derde steiger waar werd aangelegd was het zogenaamde ‘Nieuwe Veer’. Dat was globaal op de plek waar nu de Algerabrug ligt. Deze steiger lag direct naast de zogenaamde steenplaatshuizen. Bekende beheerders van dit veer waren Arie Luit en z’n dochter Saartje. Juist van dit ‘hoofd’ zijn heel wat fraaie foto’s en ansichtkaarten gemaakt.

Stormpolder

Toen de bootdienst begon was Stormpolder nog een zelfstandige gemeente, waar men ook afmeerde. Na 1855 was het dus het vierde Krimpense ‘hoofd’. Beheerder was ‘Vrouw Goudriaan’ met haar zoon. Ze hadden, behalve de zorg rond de aanlegplaats, ook een kruidenierswinkeltje. De steiger lag net voorbij C. van der Giessen’s Werktuigenfabriek, zo ongeveer waar nu de Penitentiaire Inrichting ‘De IJssel’ is.

Hier de steiger in de Stormpolder. Gesitueerd aan een heel smalle en slecht afgewerkte dijk. Er tegenover was het winkeltje van Goudriaan.

Het einde van een tijdperk

In 1884 reed de eerste automobiel in Nederland, een revolutionaire vorm van vervoer zou dat blijken. Het werd al gauw duidelijk dat er iets ging veranderen. Met dat soort snelle voermiddelen kon je immers tot in de kleinste gehuchten komen. Vooral in de jaren na 1920 kwam er dan ook groeiende concurrentie van de auto- busdienst van Stam (Autobus Onderneming De IJssel) uit het Boveneind. Of men voer over naar Capelle en nam dan de bus van Gebroeders Van Gogh of de RET. Het vrachtvervoer was eigenlijk al over toen er bodediensten begonnen te rijden. Lonende exploitatie van de

Goudse boten werd steeds moeilijker. In de oorlog was er nog even wat opleving. Maar in 1947 werd deze romantische vervoerwijze gestopt en behoorde de ‘Goudse Boot’ tot het verleden.

de  KLINKER  nr 7, 2005